Brood & Rozen gaat vreemd

Voor de virtuele expo Brood & Rozen gaat vreemd nodigden we bevriende erfgoedinstellingen uit om bijzondere stukken uit hun eigen collectie te delen die volgens hen resoneren met de betekenis van de legendarische slogan achter de naam van het tijdschrift: ‘We want bread and we want roses too’.

Sinds het begin van de twintigste eeuw staat die krachtige leuze wereldwijd symbool voor sociale rechtvaardigheid. Brood verwijst naar het recht op eerlijke lonen en bestaanszekerheid. Rozen staan voor alles wat het leven meer maakt dan enkel overleven: cultuur, natuur, onderwijs, schoonheid, vrijheid en gelijkwaardigheid. Samen drukken ze een verlangen uit naar een waardig en rechtvaardig bestaan. Een streven dat vandaag nog even relevant is als toen.

Brood & Rozen gaat vreemd brengt dankzij de enthousiaste medewerking van tal van erfgoedinstellingen een veelstemmige selectie van objecten, beelden, documenten en verhalen samen.

Design Museum Gent presenteert twee markante voorbeelden waarin sociaal engagement en design nauw met elkaar verweven zijn.

Het winkelinterieur van de Brusselse coöperatieve onderneming L’Art Décoratif Céline Dangotte, ontwerpen door Albert Van huffel, en de architectuur van het Brusselse Volkshuis van de hand van Victor Horta, vertrekken beide vanuit een uitgesproken maatschappelijk ideaal. In beide projecten weerspiegelen design en esthetiek de progressieve ambities van het onderliggende gedachtegoed, en wordt vormgeving doelbewust ingezet als drager van sociale en culturele vernieuwing.

Console van de voorgevel van het Volkshuis van Victor Horta - Design Museum Gent

 

Winkelinterieur L’Art Décoratif Céline Dangotte

Dit winkelinterieur (een vitrinekast, een kastwand met schouw, een kastwand met zitbank en een tafel) werd ontworpen door de Gentse architect Albert Van huffel in opdracht van Céline Dangotte. Op hetzelfde moment ontwierp Van huffel ook een nieuw monogram voor de zaak.

De 30-jarige Dangotte opende in het voorjaar van 1914 de interieurzaak L’Art Décoratif Céline Dangotte op de Brusselse Guldenvlieslaan 65. Twee jaar eerder nam ze de winkel, toen gevestigd in de Waterloolaan, over van haar overleden moeder. Ze volgde haar moeder om een geïntegreerde arts-and-craftsonderneming te leiden, waarin meubels en decoratie gemaakt werden voor en door het volk.

In 1914 verwoordde ze zelf haar visie op dit culturele ondernemerschap. Volgens haar werd ze gedreven door haar artistieke, opvoedende en opstandige instincten. Van haar medewerkers verwachtte ze dat ze verantwoordelijkheden opnamen en loyaal waren.

Haar doel was een coöperatieve onderneming waarin trouwe werknemers konden delen in de winst. Het interieur van de winkel was voor Van huffel de eerste opdracht in samenwerking met Dangotte, met wie hij vanaf 1914 geregeld zou samenwerken. In de periode 1918-1920 was hij zelfs artistiek directeur van de zaak, en verhuisde de Gentse Van huffel naar Brussel.

Dangotte zal ook andere ontwerpers rond zich verzamelen, zoals Mabel Elwes en Oscar Van de Voorde. De winkel verkocht meubels (en gehele interieurs), textiel en andere gebruiksvoorwerpen en interieurelementen, en stond ook bekend om het aanbod aan etnische kunst.

Het interieur werd ingepast in een bestaand pand. De meubels, bedoeld om de koopwaar uit te stallen, toonden ook de stijl en kwaliteit die klanten konden verwachten bij een bestelling. Waarschijnlijk werden de (vaste) meubels ontworpen als kasten voor textiel. 

 

Het Brusselse Volkshuis van Victor Horta

In 1895 kreeg architect Victor Horta de opdracht om in Brussel een nieuw volkshuis te bouwen voor de Belgische Werkliedenpartij (opgericht in 1885) en de Brusselse arbeiderscoöperatie. Het gebouw in art-nouveaustijl, geopend in 1899, weerspiegelde de moderniteit en progressieve ambities van de jonge socialistische partij.

Het totaalkunstwerk, waarin exterieur en interieur perfect harmonieerden, was een ingenieuze constructie van zichtbaar ijzer en glas, versierd met gestileerde plantmotieven en zweepslaglijnen. Het gebouw bood plaats aan een groot café, coöperatieve winkels, kantoren, vergaderzalen, een feestzaal, en een groot terras. In de feestzaal op de derde verdieping, met een capaciteit van 3000 toeschouwers, vonden partijbijeenkomsten en muziek- en toneelopvoeringen plaats. 

In 1965 werd het art-nouveaumeesterwerk aan de Joseph Stevensstraat gesloopt om plaats te maken voor een kantoorgebouw, de Zaveltoren. Het gebouw, dat niet meer beantwoordde aan de noden en de smaak van de partij, viel ten prooi aan de nietsontziende drang tot modernisering in de hoofdstad, ondanks het internationale protest uit architecturale hoek.

De sloop deed de algemene aandacht en appreciatie voor de architectuur van Victor Horta evenwel groeien. Bouwonderdelen van het Volkshuis werden opgeslagen met het oog op een eventuele gedeeltelijke heropbouw, maar in de daaropvolgende decennia verwaarloosd, met aftakeling en kunstroof tot gevolg.

Na de tentoonstelling Vrij gedacht in ijzer (1983-1984) kwamen resten van het iconische gebouw in het Gentse MIAT (vandaag Industriemuseum) terecht. In 2018 werden een honderdtal stukken overgedragen aan Design Museum Gent. Het gaat voornamelijk om balustrades, trapleuningen, kolommen, consoles en vlaggenmasten afkomstig van de feestzaal, het dakterras en de voorgevel. 

---

Naar de website van Design Museum Gent