Brood & Rozen gaat vreemd

Voor de virtuele expo Brood & Rozen gaat vreemd nodigden we bevriende erfgoedinstellingen uit om bijzondere stukken uit hun eigen collectie te delen die volgens hen resoneren met de betekenis van de legendarische slogan achter de naam van het tijdschrift: ‘We want bread and we want roses too’.

Sinds het begin van de twintigste eeuw staat die krachtige leuze wereldwijd symbool voor sociale rechtvaardigheid. Brood verwijst naar het recht op eerlijke lonen en bestaanszekerheid. Rozen staan voor alles wat het leven meer maakt dan enkel overleven: cultuur, natuur, onderwijs, schoonheid, vrijheid en gelijkwaardigheid. Samen drukken ze een verlangen uit naar een waardig en rechtvaardig bestaan. Een streven dat vandaag nog even relevant is als toen.

Brood & Rozen gaat vreemd brengt dankzij de enthousiaste medewerking van tal van erfgoedinstellingen een veelstemmige selectie van objecten, beelden, documenten en verhalen samen.

Het Industriemuseum bewaart in haar collectie diverse voorbeelden van hoopvolle signalen van op de werkvloer. De geselecteerde objecten tonen menselijkheid, vriendschap, inclusiviteit en fierheid in het werk.

Industriemuseum

Postkaart voor het naamfeest van Sint-Elooi 

(Collectie Industriemuseum, D10407-008, public domain)

Postkaart met gefotografeerde afbeelding van een machinist en locomotief. Dit soort kaarten werd verstuurd naar aanleiding van het naamfeest van Sint-Elooi, de beschermheilige van de spoorwegen. De postkaart werd uitgegeven rond 1950 door Editions Superluxe. 

Handgeschreven affiche om werknemers een gelukkig nieuwjaar te wensen

(Collectie Industriemuseum, F02422, in copyright)

Informatieaffiche met nieuwjaarswensen getekend door Robert Van de Putte, technisch directeur van UCO Desmet-Guequier. Omdat de eerste arbeidsmigranten de Nederlandse taal nog niet machtig waren, is de boodschap in verschillende talen opgesteld.

Transport tijdens kamp voor meisjes met een beperking georganiseerd door VKSJ

(Collectie Industriemuseum, F10323-001, in copyright - unknown rightsholder) 

Bus van textielbedrijf UCO nv verzorgt in 1971 het transport voor meisjes met een beperking tijdens een kamp georganiseerd door de Vrouwelijke Katholieke Studerende Jeugd (VKSJ) binnen de Zonnewijzers werking. Het kamp vindt vermoedelijk plaats in het Proveniershuis in Poperinge uitgebaad door sociale organisatie De Lovie.

Viering 75-jarig bestaan breigoedfabriek Demeester

(Collectie Industriemuseum, F10367-082, in copyright - unknown rightsholder) 

Arbeidsters van de fabriek Gaston Demeester te Gent aan gedekte tafels. Op zondag 5 december 1948 was er een dankmis en een plechtige zitting ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan. Op maandag 6 december volgde een  banket voor personeel en directie.

Personeelsfoto UCO Braun in Gent

(Collectie Industriemuseum, F10931-007, in copyright) 

Een arbeider opent een geschenk midden in een groep arbeidsters. Foto genomen ter gelegenheid van de viering van het pensioen van een personeelslid van de weverij in textielfabriek UCO E.J. Braun in de Maïsstraat, in de periode 1985-2000. 


Uitreiking van Gouden Schoen bij bedrijfsvoetbalploeg van treinpersoneel station Gent-Sint-Pieters

(Collectie Industriemuseum, V37153-005, in copyright - unknown rightsholder) 

Binnenzicht op de uitreiking van de eerste Gouden Schoen bij FC Howag in 1971, de voetbalploeg opgericht door de vriendenkring Howag van het treinpersoneel van station Gent-Sint-Pieters. 'Howag' staat voor 'Hoofdwachters en wachters van het treinpersoneel uit Gent-Sint-Pieters'. Het feest gaat door in Sint-Amandsberg. Enkele mensen zitten rond de tafel iets te drinken. Centraal staat de Gouden Schoen, die vanaf dan jaarlijks wordt uitgereikt aan de meest verdienstelijke speler van de voetbalploeg.

Reglement over vergoeding van wettelijke feestdagen

Ingekaderd reglement met betrekking tot de Vergoeding van Wettelijke Feestdagen van 1947, in de sector Gewestelijk Paritair Comité de Vezelbedrijven in Oost- en West-Vlaanderen.

Interview met Faruk Köse over zijn werk in de Gentse textielindustrie

Fragment van het interview van Marieke De Baerdemaeker met Faruk Köse in het kader van het project 'Hun werk, hun leven. Getuigenissen uit de Gentse textielwereld 1950-2010' uit 2017(Collectie Industriemuseum, AU00001-020)
 
Faruk Köse (°1948) groeit op in Emirdağ, Turkije. Wanneer hij zijn middelbare school afmaakt, komt hij via een vriend van zijn vader te weten dat er in België veel werk te vinden is. Faruk vertrekt op 17-jarige leeftijd samen met zijn vriend Mehmet richting Brussel, ondanks de waarschuwing van zijn vader voor het harde werk dat hem te wachten staat. 
 
Aangekomen in Brussel logeren Faruk en Mehmet twee dagen in een huis met tien andere Turken. Daarna reizen ze naar Gent, waar hen werk in de textielindustrie wordt beloofd. 
 
Na het regelen van de nodige papieren starten ze in 1965 samen in spinnerij UCO de Hemptinne. De waarschuwing van Faruks vader wordt al snel werkelijkheid. Het werk is zwaar, maar Faruk houdt vol. Vier jaar later is het tijd voor zijn legerdienst en trekt Faruk naar Turkije. 
 
Na twee jaar keert hij getrouwd terug naar België, waar hij met zijn vrouw gaat samenwonen. Intussen heeft UCO de Hemptinne de deuren gesloten en Faruk volgt zijn oude personeelsdirecteur naar UCO Filature Nouvelle Orléans. Door de introductie van een nieuw systeem in de fabriek is het werkritme voor hem te snel en hij besluit over te stappen naar textielfabriek Fabelta. Het werk hier ligt hem beter. 
 
Na twee jaar worden de chemische stoffen die Fabelta gebruikt Faruk te veel en gaat hij in plasticfabriek SEP aan de slag. Hij werkt er graag, maar na een financiële crisis die de fabriek doormaakt krijgt Faruk na een loopbaan van vijf jaar samen met 41 andere collega’s zijn ontslag. 
 
Vanaf dan, in 1978, zet Faruk de stap naar zelfstandigheid. Tot aan zijn pensioen in 2007 houdt hij een café, een bakkerij en vervolgens een kruidenierswinkel open.

In dit fragment vertelt hij over hoe hij in zijn tijd als arbeider bij UCO de Hemptinne in het weekend afsprak met zijn collega's, om te gaan dansen, maar ook soms bij elkaar thuis om samen te eten. 

Interview met Marcel Scheirlinck over zijn werk in de Gentse textielindustrie

Fragment van het interview van Marieke De Baerdemaeker met Marcel Scheirlinck in het kader van het project 'Hun werk, hun leven. Getuigenissen uit de Gentse textielwereld 1950-2010' uit 2017(Collectie Industriemuseum, AU00001-013) 

Als 14-jarige jongen komt Marcel Scheirlinck (°1931) terecht in de kuisploeg van textielfabriek Desmet-Guequier nv. Later staat hij aan de spinmolens. Hij werkt zich op tot bommensleper, waarbij hij zorgt voor het transport van de bobijnen doorheen de fabriek, en uiteindelijk ploegbaas.  
 
Al snel leert hij in de fabriek zijn vrouw kennen en ze trouwen in 1949. Hun eerste dochter wordt een jaar later geboren en ze krijgen van de fabriek een pakket katoenartikelen cadeau, wat in de naoorlogse jaren meer dan welkom is. 
 
In 1950 start Marcel zijn legerdienst en wanneer hij twee jaar later afzwaait, kan hij opnieuw als ploegbaas in de fabriek aan de slag. Maar Marcel is ambitieus en hij richt zijn pijlen op de job van meestergast, een trapje hoger op de ladder. Wanneer de plaats vrijkomt, is de ontgoocheling dan ook groot wanneer hij naast de job grijpt omdat hij vakbondsdélégué of vakbondsafgevaardigde is. Daarop beslist hij de textielindustrie te verlaten. 
 
Er volgt een carrière van zeven jaar bij een fruithandel, waar hij dubbel zoveel uren klopt als in de textielfabriek. Via een kennis komt hij uiteindelijk terecht bij koffiehandelaar Rombouts. Ook daar werkt Marcel zich op, van vertegenwoordiger tot district manager, om daarna op 55-jarige leeftijd met pensioen te gaan.

In dit fragment vertelt Marcel over hoe hij bevriend raakte met zijn collega's en ze dagelijks samen in 'het peloton van de UCO' naar Gent fietsten. 

Bekijk de beelden van dichterbij

---

Naar de website van het Industriemuseum