De moord op Pot en Grijp
In de nacht van 22 op 23 mei 1936 liep de politieke spanning in Antwerpen hoog op. Toen leden van de extreemrechtse Realistische Partij (RP) verkiezingsaffiches aan het ophangen waren op de Paardenmarkt, kwam het tot een confrontatie met socialistische militanten. Kort daarvoor hadden de RP-leden mogelijk ook een spandoek in brand gestoken aan het lokaal van de Syndicale Jeugd (SJ).
Tijdens het handgemeen trok Jean Awouters (1894-1944), kandidaat voor de RP, zijn revolver. Hij schoot Albert Pot (1917-1936), propagandaleider van de SJ, ter plekke neer. Theofiel Grijp (1899-1936), lid van de Bondsraad van de afdeling Antwerpen van de Belgische Transportarbeidersbond, zette de achtervolging in, maar werd ook door Awouters in de hals geschoten. Grijp overleed nog voor hij het ziekenhuis bereikte.
Awouters werd vervolgens gearresteerd door douanebrigadier Pierre Derquecker, die hem met zijn dienstwapen in bedwang hield. Later werd hij veroordeeld voor doodslag. Van moord was geen sprake omdat Pot en Grijp het incident zelf zouden hebben uitgelokt. In eerste aanleg kreeg Awouters twaalf jaar gevangenisstraf, in beroep werd dat teruggebracht tot acht en een half jaar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam hij vrij en stapte hij in de collaboratie, maar in 1944 werd hij bij hem thuis vermoord.
Pot en Grijp werden op 26 mei samen begraven op de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof. Toen de concessie in 1991 afliep, werd het vervallen gedenkteken weggenomen en kregen ze een plaats in het erepark van de begraafplaats. Sinds 22 mei 2022 herdenkt het ABVV van Antwerpen jaarlijks de moord op Pot en Grijp.
De RP spon bij de verkiezingen van 24 mei geen garen bij het incident. De partij haalde net geen 15.000 stemmen, goed voor 0,63%, en ging na de verkiezingen op in Rex. Toch boekte extreemrechts een verkiezingsoverwinning, net als de communistische partij (CP). De eerste groep haalde 37 zetels, de CP negen. Om de vele uitdagingen het hoofd te bieden, vormden de drie traditionele partijen een regering van nationale eenheid. Die kreeg al snel te maken met de naweeën van de moord op Pot en Grijp. De moord bleek uiteindelijk een van de katalysatoren voor de algemene staking van juni 1936.
Lees meer over de jaarlijkse herdenking van Pot en Grijp door het ABVV.
De algemene staking van 1936
Toen Albert Pot en Theofiel Grijp op 26 mei 1936 werden begraven, organiseerden de Antwerpse havenarbeiders een 24 urenstaking. Die draaide niet alleen om de moord op Pot en Grijp, maar ook om de diepe onvrede onder de arbeiders. Na de beurscrash van 1929 bereikte de werkloosheid ongekende hoogtes en konden de lonen de stijgende prijzen niet meer volgen. Die onvrede uitte zich eerst politiek. Uit Frankrijk waaide het idee van de Volksfrontpolitiek, of het samengaan van linkse partijen, over. Bij de parlementsverkiezingen van 24 mei kwamen uiteindelijk vooral de extremen als winnaars uit de bus.
De onvrede liet zich ook op de werkvloer voelen. Dat had zeker te maken met de economische heropleving midden jaren 1930. Na jaren van inleveren wilden de arbeiders eindelijk hun deel van de koek. Op 2 juni leidde dat tot een spontane staking in de Antwerpse haven. Daarna breidde de staking zich snel uit. Op 12 juni legden de mijnwerkers van Henegouwen het werk neer en drie dagen later lag Wallonië plat. Vervolgens volgden Gent, Limburg en Brussel. Zelfs bedienden legden op grote schaal het werk neer. Op 18 juni telde men een half miljoen stakers.
De staking was buiten de vakbonden om ontstaan. Die hadden dan ook even tijd nodig om te reageren. Op 12 juni overhandigden de Syndikale Kommissie (SK) en het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) hun eisen aan de toekomstige regeringsleider, de katholiek Paul Van Zeeland. Ze eisten onder meer een 40-urige werkweek, hogere lonen, betaald verlof, een geleidelijke verlaging van de pensioenleeftijd en een verlenging van de schoolplicht.
Een dag later vormde Van Zeeland een regering met socialisten, katholieken en liberalen. Op 17 juni riep hij de eerste Nationale Arbeidsconferentie (NAC) samen, met vertegenwoordigers van de regering, de vakbonden en de werkgevers, om het eisenpakket en de staking te bespreken. De resultaten waren aanzienlijk: een loonsverhoging van 7 tot 10 procent, landelijke syndicale erkenning, syndicale vrijheid, hogere kinderbijslagen en zes dagen betaald verlof. In zware sectoren werd bovendien de 40-urenweek ingevoerd.
Omdat de regering en de werkgevers tegemoetkwamen aan de vakbondseisen, hief de SK de staking op 21 juni op. De arbeiders gaven wel maar geleidelijk gehoor aan die oproep: op 6 juli gingen de Vlaamse textielarbeiders als laatsten weer aan het werk. De staking was niet alleen een succes omdat veel vakbondseisen werden ingewilligd, maar ook omdat ze een nieuwe impuls gaf aan het sociaal overleg. Voor 1935 waren er slechts 26 paritaire comités, in 1940 waren dat er al ruim 170. Het sociaal overleg breidde zich bovendien voorzichtig uit naar de bedienden. De staking gaf ten slotte ook een boost aan het sociaal toerisme.






