Door Luc Peiren, onderzoeker
De invoering van de achturendag betekende een historische mijlpaal voor de socialistische arbeidersbeweging. Om het belang van die verwezenlijking te begrijpen, moeten we nog een eeuw verder teruggaan in de tijd, naar de industrialisering aan het begin van de 19e eeuw.
In die periode waren werkgevers almachtig. Dankzij het cijnskiesrecht hadden zij de politieke macht in handen en konden zij wetgeving realiseren op hun maat. Zo mochten arbeiders zich niet verenigen in vakbonden of staken ter verdediging van hun belangen. Individuele onderhandelingen tussen arbeiders en werkgevers waren daardoor de enige optie. Die ongelijke machtsverhouding leidde tot hongerlonen en werkdagen van twaalf uur of meer.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eis om arbeidsduurvermindering al bij de eerste arbeidersorganisaties op tafel lag. Ook de achturendag verscheen al snel op de agenda van de ontluikende arbeidersbeweging. Het idee was overigens niet nieuw. In zijn Utopia uit 1516 pleitte de filosoof Thomas More al voor een arbeidsdag van zes uur, aangevuld met tien uur vrije tijd en acht uur slaap. In Engeland verdedigde Robert Owen, een van de grondleggers van de coöperatieve beweging, in 1833 de achturendag in zijn Catechismus voor de arbeiders. Toch bleef het lange tijd bij ideeën en pleidooien. Het waren uiteindelijk de vakbonden die op het terrein concrete resultaten afdwongen. Zo slaagden Engelse én Belgische metaalbewerkers er midden jaren 1860 via stakingen in om een tienurendag te realiseren.
Vanaf 1886 kwam het hele proces in een stroomversnelling terecht. Op 1 mei van dat jaar staakten in de Verenigde Staten tot 340.000 arbeiders voor een kortere arbeidsdag. In Chicago mondde het conflict uit in geweld, met verschillende doden tot gevolg. In eigen land rolde in de lente van 1886 een grote stakingsgolf door Wallonië. Hoewel die bloedig werd onderdrukt, bracht ze de erbarmelijke levensomstandigheden van de arbeiders voor het eerst onder de aandacht. Een enquêtecommissie stelde toen in verschillende sectoren vast dat arbeiders soms tot zestien uur per dag aanwezig moesten zijn op het werk en tot veertien uur moesten werken. Die bevindingen leidden tot de eerste wettelijke beperkingen van de arbeidsduur. In 1889 werd bepaald dat jongens jonger dan zestien jaar en meisjes jonger dan eenentwintig maximaal twaalf uur per dag mochten werken.
Voor de arbeidersbeweging was dat slechts een eerste stap. Het congres van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) van april 1889 vroeg daarom om op de internationale socialistische congressen in Parijs later dat jaar te pleiten voor een internationale stakingsdag voor de achturendag. Intussen had de American Federation of Labor 1 mei 1890 uitgeroepen tot strijddag voor de achturendag. Het internationaal socialistisch congres sloot zich daarbij aan. Zo ontstond 1 mei als internationale strijddag van de socialistische arbeidersbeweging, oorspronkelijk volledig gewijd aan de eis van de achturendag.
In dezelfde periode ontstond ook het iconische beeld van de ‘drie achten’: acht uur werken, acht uur ontspanning en acht uur rust. In de socialistische arbeidersbeweging kreeg dat beeld een enorme wervende waarde.
Aan het begin van de 20e eeuw zette de Syndikale Kommissie (SK) van de BWP de campagne voor arbeidsduurvermindering kracht bij. De achturendag moest niet alleen het gezinsleven verbeteren, maar ook de werkloosheid verminderen en de kansen op onderwijs vergroten. Het voorstel kreeg veel bijval en verschillende sectoren boekten successen. De Gentse katoenspinners verwierven een werkdag van elf uur, terwijl de Antwerpse diamantbewerkers in 1905 een negenurige werkdag afdwongen.
Eind 1905 lanceerde de SK een nationale campagne voor de achturendag. Drie jaar later eiste zij de algemene invoering van de tienurendag en een achturendag voor mijnwerkers. Socialistisch volksvertegenwoordiger Jules Destrée diende hierover een wetsvoorstel in. Dat leidde in 1909 tot de invoering van een negenurige werkdag voor mijnwerkers.
Voor de meeste arbeiders bleef arbeidsduurvermindering echter een wensdroom. Maar de Eerste Wereldoorlog bood nieuwe kansen. Tijdens de oorlog legden de BWP, die toen in de regering zetelde, en de SK een ambitieus eisenpakket op tafel, met onder meer een verdubbeling van de lonen en de invoering van de achturendag.
De vakbond eiste ook de afschaffing van artikel 310 van het strafwetboek. Dat artikel beknotte sinds 1866 het stakingsrecht. Na de afschaffing ervan konden vakbonden hun eisen krachtiger verdedigen. Alleen al in 1919 telde de arbeidsinspectie 733 stakingen. Die sociale druk versnelde uiteindelijk de goedkeuring van de wet op de achturendag, die in juni 1921 door de Kamer werd aangenomen.
Daarmee was de strijd voor arbeidsduurvermindering echter niet beslecht. De achturendag ging nog steeds gepaard met een zesdaagse werkweek. De norm bleef dus een werkweek van 48 uur. Bovendien probeerden werkgevers de verworvenheden terug te schroeven zodra de BWP de regering had verlaten. Vakbonden moesten de achturendag dus eerst verdedigen voordat zij verdere verminderingen konden afdwingen.
De economische crisis van de jaren 1930 bemoeilijkte die strijd aanvankelijk. Maar toen de economie in de tweede helft van het decennium heropleefde, ging de arbeidersbeweging opnieuw in het offensief. De algemene staking van juni-juli 1936 leverde een eerste week betaald verlof op, en een veertigurenweek voor een aantal zware sectoren, zoals de havenarbeid.
Het zou echter nog bijna veertig jaar duren voordat de veertigurenweek voor alle werknemers via aanhoudend interprofessioneel overleg gerealiseerd werd. Dat gebeurde gradueel: de 45-urenweek kwam er in 1964, de 43-urenweek in 1969, de 42-urenweek in 1972, de 41-urenweek in 1974 en uiteindelijk de 40-urenweek later datzelfde jaar. Sinds 15 september 2001 geldt de 38-urenweek als norm.
Ook het recht op vakantie werd stelselmatig uitgebreid. In 1956 kregen werknemers twaalf betaalde vakantiedagen, in 1966 kwam daar een derde vakantieweek bij en in 1975 een vierde. De invoering van de achturendag in 1921 was dus geen eindpunt, maar een belangrijke stap in een veel langere strijd voor meer vrije tijd, betere arbeidsomstandigheden en een menswaardiger leven voor werknemers. En dat is een strijd die nog elke dag gevoerd wordt!






